Laken (Brussel)
Altijd toegankelijk
groene wandeling
Toegang voor personen met een beperkte mobiliteit

De Koloniale Tuin werd bij het begin van de twintigste eeuw aangelegd en is vandaag één van de schakels in de groene wandeling die vanaf het kanaal de ronde maakt van de tuinen en parken die koning Leopold II wilde voor de verfraaiing van de omgeving van zijn paleis.

Hij kreeg de idee voor de tuin om er uit Congo afkomstige exotische planten in te bestuderen en te kweken.

Tegenwoordig bestaat de ruimte uit twee onderscheiden delen: een open zone in het noorden waar vroeger de serres met tropische planten stonden, en een beboste zone in het zuiden.

Openingsuren

Het park is elke dag open voor het publiek, volgens dit schema::

  • van 01 oktober tot 31 maart, van 08u00 tot 17u45;
  • van 01 tot 30 april, van 08u00 tot 18u45;
  • van 01 mei tot 31 augustus, van 08u00 tot 20u45;
  • van 01 tot 30 september, van 08u00 tot 19u45;

Parkwachters van Leefmilieu Brussel zijn overdag regelmatig aanwezig.

Informatie ter plaatse

Hebt u een vraag? Wilt u een probleem signaleren? Spreek dan een van de parkwachters aan.
Leefmilieu Brussel: 02 775 75 75, info@leefmilieu.brussels

Ingangen

De Koloniale Tuin ligt in Laken (Brussel). De ingangen bevinden zich aan de Jan Sobieskilaan, het Sint-Lambertusplein, de Ebbebomenlaan. U kunt er ook in vanuit het Sobieskipark via de tunnel die deze twee groene ruimten verbindt.

Openbaar vervoer
METRO: 6 (halte(s) : Stuyvenbergh)
TRAM: 7 (halte(s) : Eeuwfeest) - 19 (halte(s) : Eeuwfeest, Stuyvenbergh)

Zandbak, fontein, zitbanken, vuilnisbakken, lokaal voor de parkwachters en vrij toegankelijk speelplein.

Het is er verboden om op het grasperk te lopen.

In de Koloniale Tuin bevindt zich de conciergewoning van de groene ruimten dat aan organisatoren van evenementen en manifestaties de toelating verleent om voor een activiteit gebruik te maken van een gewestpark.

Toegang voor personen met een beperkte mobiliteit

Waarom was er nood aan een tuin waar planten uit de kolonie aan ons klimaat konden wennen? Omdat Emile Laurent, een gerenommeerd Belgisch professor aan het landbouwinstituut van Gembloers, al enkele jaren exotische planten uit Congo importeerde. Deze planten werden gecultiveerd in een verwarmd serre in Gembloers en werden in 1897 met succes tentoongesteld in Tervuren naar aanleiding van de Wereldtentoonstelling.

In die sfeer vroeg de onafhankelijke staat Congo, waarover koning Leopold II heerste, aan de nv ‘Horticulture coloniale’, waar Emile Laurent deel van uitmaakte, om in Congo op zoek te gaan naar alle planten die interessant konden zijn voor productie en versiering. Met een aantal van die planten met felicitaties van de jury.

Die waardering lag aan de basis van het plan om in Laken een koloniale tuin aan te leggen waar de planten uit Congo konden worden bestudeerd en gekweekt. Tegelijk kon men daar ook andere interessante exotische planten uittesten om ze daarna een plek te geven in Congolese plantages.

In een eerste periode kreeg de collectie onderdak in de serres van Stuivenberg. In 1902 waren die te klein geworden en werden de planten overgebracht naar zes nieuwe serres vlak naast de villa Van der Borght aan de Medoristraat, op een boogscheut van het Koninklijk Domein (anekdote: de maîtresse van Leopold II woonde daar).

Leopold II kocht verschillende eigendommen rond Stuivenberg en schonk geld om een echte koloniale tuin aan te leggen in Laken, maar ook een boomgaard (het huidige Sobieskipark), een siertuin en een ruimte om bloemen te kweken voor de koninklijke vertrekken (de Tuinen van de Bloemist).

Op het langgerekte terrein tussen de huidige Sobieski-, Acacia- en Ebbebomenlanen stonden de zes serres van de villa Van der Borght, met de rug tegen hogere galerijen met ertussen heel hoge planten. Een grote hal met versieringen in ijzerwerk – een soort wintertuin – lag vóór dit geheel. Bij de ingang van de tuin aan het Sint-Lambertusplein, liet de koning een mooie villa bouwen in normandische stijl. Achter de serres bouwde hij in dezelfde stijl paardenstallen en koetshuizen die vandaag gebruikt worden als opslagplaats en voor het materiaal van de tuiniers.

De Eerste Wereldoorlog betekende een ramp voor de plantenverzameling van de Koloniale Tuin, omdat de planten zonder verwarming de Brusselse winters niet overleefden. In de jaren twintig werden nieuwe scheuten geplant als vervanging.

In 1951 verhuisden de tropische planten naar de grote botanische tuinen in Meise.

Toch bleven de installaties in Laken niet volledig leeg achter: vanaf 1955 gaven ze onderdak aan de arbeiders van de plantendienst van de maatschappij voor de wereldtentoonstelling van Brussel. De serres werden hersteld en kregen een verwarming op kolen. De meeste planten voor Expo 58 werd daar gekweekt.

In 1964 werd de Koloniale Tuin opengesteld voor het publiek. De serres werden afgebroken en vervangen door een groot grasveld. Omdat de Koninklijke Stichting er niet in slaagde om het domein te onderhouden, schonk ze het in 1978 samen met het Sobieskipark (dat er sinds 1975 via een ondergrondse doorgang mee was verbonden) aan de Belgische Staat.

De Groendienst richtte de tuin in die periode opnieuw in. Na de gewestvorming werd Leefmilieu Brussel verantwoordelijk voor het beheer.

Monument

De villa
Architect Haneau bouwde aan de ingang van de Koloniale Tuin een villa in normandische landhuisstijl. Vroeger was het de woning van de hoofdtuinier van het park, nu is het de cociergewoning.

Vanaf 2017 wordt een restauratie van de buitenkant van het gebouw gepland in samenwerking met Monumenten en Landschappen. 

Doorheen de jaren groeiden de bomen van de Koloniale Tuin uit tot indrukwekkende exemplaren. Ze creëren rond het park een beschermende groene gordel. Doorheen de seizoenen kan de wandelaar genieten van hun wisselende kleurschakeringen.

Midden op het grasveld staat een opmerkelijke Atlantische ceder (Cedrus Atlantica). Onlangs verloor hij een van zijn dragende takken – een bewijs van de kwetsbaarheid van deze boom. Er werd een nieuwe ceder naast geplant zodat die al voldoende kan uitgroeien en, als het nodig wordt, zijn oudere soortgenoot vervangen.

De beboste zone bestaat uit dennenbomen, kastanjelaars, acacia’s, rode beuken, balsempopulieren, vlierbomen, enkele prachtige hulststruiken en sinds kort ook rododendrons.

Fauna
staartmees
boomkruiper
houtduif
kleine vos
zwarte kraai
roodborst
sperwer
vink
meerkoet
waterhoen
zilvermeeuw
nijlgans
gewone oeverlibel
wilde eend
koolmees
tjiftjaf
fitis
ekster
groene specht
heggenmus
halsbandparkiet
goudhaan
boomklever
zwartkop
winterkoning
merel
zanglijster
kramsvogel
atalanta
blauwe reiger
buizerd