Elsene
Ukkel
natura 2000
Speelplein
Toegang voor personen met een beperkte mobiliteit

Het Terkamerenbos is een natuurlijke uitloper van het Zoniënwoud die in het laatste kwart van de 19e eeuw als bospark werd ingericht. Sindsdien is het een plek waar Brusselaars graag wandelen, sporten en ontspannen.

Het bos, een onregelmatige vierhoek, is opgesplitst in twee delen : in het eerste, meer bosachtige deel, zijn de twee voornaamste bezienswaardigheden het Engels grasperk en het ravijn, onder een indrukwekkende rotsbrug. Het meer met een oppervlakte van zes hectare vormt het hart van het tweede deel. In het meer ligt een bebost eiland waarop de Chalet Robinson werd gebouwd en dat enkel bereikbaar is met een veerpont.

 

 

 

Openingsuren

Als open ruimte is het Terkamerenbos op elk moment toegankelijk voor wandelaars, joggers, fietsers en ruiters. De wegen zijn echter gesloten voor auto’s van zaterdagochtend tot zondagavond.

Tijdens alarmfases, bijvoorbeeld bij hevige wind, kan de politie beslissen om het bos te sluiten.

Contact

Met vragen of problemen kunt u tijdens de kantooruren terecht op de dienst Groene Ruimten van de Stad Brussel op het nummer 02 279 61 00.
In noodgevallen: Politie van Brussel – Zone 3: 02 515 71 11.

Uitrusting

Rechte en ronde banken rond bomen, vuilnisbakken, drinkfonteinen, verlichting, ruiterhuisjes, speeltuin, rollerbaan, kiosk, uitspanningen met sanitaire voorzieningen, veerpont.

 Er geraken

Het bos is in het noorden omzoomd door de Lloyd Georgelaan, in het oosten door de Franklin Rooseveltlaan en Victorialaan, in het zuiden door de Terhulpsesteenweg en in het westen door de Waterloosesteenweg, de Bospleinlaan en de Diesdellelaan.

 

Openbaar vervoer
BUS: 41 (halte(s) : Gendarmen, Montana) - 38 (halte(s) : Bascule, Longchamp)
TRAM: 93 (halte(s) : Legrand) - 7 (halte(s) : Bascule, Legrand, Longchamp, Ter Kameren-Ster) - 8 (halte(s) : Legrand, Ter Kameren-Ster)
Speelplein
Toegang voor personen met een beperkte mobiliteit

Het Terkamerenbos, dat tijdens het Ancien Régime het Heegdebos werd genoemd, is eigenlijk een uitloper van het Zoniënwoud naar Brussel toe. Zijn geschiedenis is dus vervlochten met die van het grote woudmassief dat eeuwenlang vooral dienstdeed als jachtterrein van het Hof van Brabant. Het met eiken en beuken bezaaide en heel heuvelachtige bos werd vroeger doorkruist door twee oude wegen: de Dieweg (tussen Boondaal en Ukkel) en de Verkenweg, die toeliet vanuit de Terkamerenabdij de Dieweg te bereiken.

In de 18e eeuw werden er nieuwe, rechte wegen getrokken. Vandaag kan men hiervan nog steeds bepaalde stukken, omzoomd door een dubbele rij beuken, in het landschap herkennen.

Rond 1840 begon men het bos meer en meer het Terkamerenbos te noemen. Het grensde immers aan de bezittingen van de naburige Terkamerenabdij. Het werd echter weinig bezocht omdat het moeilijk toegankelijk was.

Om hun gloednieuwe Louizawijk op te waarderen en de bebouwing van die zone uit te breiden, stelden Jean-Philippe De Jonckere en Jean-Baptiste Jourdan in 1844 voor om een nieuwe laan aan te leggen die hun wijk met het Terkamerenbos zou verbinden en dat dan als een openbare promenade zou worden ingericht. Dat was het begin van een lange polemiek, omdat de gemeente Elsene zich tegen dit project kantte.

In 1857 steunt de toekomstige koning Leopold II  in een toespraak de omvorming van het Terkamerenbos tot een park, en de aanleg van een van de mooiste lanen van Europa. Dit deblokkeert de toestand. Datzelfde jaar nog krijgt de Stad Brussel de toestemming om een ontwerpwedstrijd te organiseren voor de aanleg van de Louizalaan. De werken gaan van start in 1860.

Op hetzelfde moment beginnen er onderhandelingen met de regering om een vergunning voor het Terkamerenbos te bemachtigen en zo over te kunnen gaan tot de inrichting ervan. Dit gebeurt op 2 juni 1862.

Er worden 4 projecten voorgelegd aan de gemeenteraad, die uiteindelijk kiest voor dat van Edouard Keilig, een Duitse tuinarchitect die al enkele jaren in België woonde. Hij had trouwens al eerder van de toekomstige koning Leopold II de opdracht gekregen om het koninklijk domein van Tervuren te verfraaien. De inrichting van het Terkamerenbos zou hem pas echt bekend maken.

Voor dit nieuwe project koos hij voor de Engelse landschapsstijl die in de 19e eeuw erg in trek was, met veel variatie in uitzichten, taferelen en perspectieven. Hij sprong uiterst voorzichtig om met de oude bomen en aarzelde niet om zijn plannen aan te passen om de mooiste exemplaren voor de kapbijl te behoeden. Dit was trouwens een eis van de opdrachtgever. In zijn ontwerp splitste hij het bos op in twee delen, die hij elk een eigen schilderachtige aanblik gaf. In het eerste deel, dat eerder nog deel uitmaakte van het oude bos, legde hij het Engels grasperk aan, vergrootte een natuurlijke ravijn en bouwde er een monumentale pittoreske rotsbrug. In het tweede deel maakte hij gebruik van een lager gelegen deel om er een grote vijver met een bebost eilandje aan te leggen, alsook een rots in zandsteen, waarin een grot werd uitgehouwen. Uitgezonderd sommige stukken van de oudere dreven, is het wegennet bochtig aangelegd, om het landschapsaspect van het park beter te kunnen accentueren.

 Al van in de begindagen trok het Terkamerenbos veel bezoekers aan. Het werd al snel een van de meest populaire promenades van de hoofdstad, eerst voor de meer welgestelde rijke klassen, later voor een meer gemengd publiek. Edouard Keilig zal bijna veertig jaar lang toezien op het beheer van het park. Daarna valt die rol te beurt aan een andere grote naam uit de geschiedenis van de Brusselse parken en tuinen: de opzichter van de aanplantingen van de Stad, Jules Buyssens.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zullen veel bomen stiekem worden gekapt. Het restauratiecomité dat in 1966 in het leven wordt geroepen, zal toezien op het geleidelijke herstel ervan.

In februari 2006 werd er een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd voor een nieuwe fase in de restauratie en opwaardering van het ondertussen geklasseerde Terkamerenbos. De werken werden voltooid in 2009/2010.

Monumenten

De oude tolhuizen
De toegang tot het Terkamerenbos aan de Louizalaan wordt gesierd door twee bijna identieke, neoklassieke en rechthoekige gebouwen. Deze creaties van de architect van de Stad Brussel, Auguste Payen, werden opgetrokken in 1835 aan de Naamsepoort om dienst te doen als bewakingsposten en kantoren voor de inning van de gemeentelijke belasting die toen moest worden betaald op bepaalde voedingsmiddelen die de Brusselse Vijfhoek binnenkwamen.

Toen die cijns in 1860 werd afgeschaft, werden de twee paviljoenen afgebroken en heropgebouwd aan de ingang tot het Terkamerenbos. Meer dan een eeuw lang herbergden ze het politiecommissariaat van de wijk en een woning. Nu worden ze verhuurd aan de privésector.

De gevels met hun zuilen, frontons, Toscaanse pilasters en ronde vensters zijn, net als het zinken dak, geklasseerd sinds 1998.

De watertorens
De twee watertorens van het Terkamerenbos liggen beide aan de Belle Alliancelaan en zijn met elkaar verbonden via een bruggetje. De kleinste dateert van 1879-1880 en is een van de oudste van België.

De tweede, die dertig meter hoog is, werd een tiental jaren later gebouwd. Ze rusten op een breukstenen onderbouw en werden opgetrokken in baksteen en verfraaid met blauwsteen. Ze vervullen niet langer hun aanvankelijke doel en werden gerestaureerd en verbouwd tot zalen voor recepties.

De schilderachtige rotsbrug
Deze brug maakt deel uit van de schilderachtige taferelen die landschapsarchitect Edouard Keilig ontwierp om het Terkamerenbos in te richten volgens de romantische verzuchtingen van die tijd. De brug is 27 meter breed en 15 meter hoog en overbrugt het ravijn ter hoogte van de Floralaan.

Ze bestaat uit een boog van gemetselde blokstenen en bakstenen die aan alle kanten zijn bekleed met lichtbruin zandsteen uit Ronquières. Het bouwwerk is omzoomd en begroeid met hulst, klimop, braamstruiken en rododendrons om het een meer ‘natuurlijke’ aanblik te geven. De borstwering bestaat uit opgerichte monolieten die rustieke, imitatiehouten relingen omsluiten.

De waterval
Rechts van het meer vloeit een waterval uit een rotsstructuur van 8 meter hoog om zo een bergtafereel te scheppen. De rotsen zijn gemaakt van gehouwen beton en blokstenen. De brug over de rotsstructuur is eveneens beschermd door betonnen relingen in de vorm van takken.

Recreatieve voorzieningen
Het Chalet van het Gymnasium (1875), het Chalet Robinson (1877) en het Chalet van de Nachtegalen (1892) zijn café-restaurants of tearooms in een pittoreske of pittoresk-eclectische stijl, precies zoals de plattelandshuisjes uit die tijd. Ze werden gebouwd om de steeds talrijkere wandelaars rustplaatsen te bieden waar ze ook iets konden eten of drinken.

Om de sfeer van het bos in ere te houden, werd hun aantal beperkt tot vier. Het vierde, De Melkerij (1871), werd in 1973 door een brand verwoest.

In 1980 bestond het Terkamerenbos nog voor iets meer dan 70 % uit oude beuken van de oude beukenkathedraal die zo typisch is voor het Zoniënwoud.

Op het moment van de inrichting van het bos zag Edouard Keilig toe op de bescherming van de eiken, die toen in de minderheid waren. Op de dun begroeide plaatsen langs de oevers van het meer, plantte hij niet alleen verschillende soorten iepen, wilgen, linden, essen en populieren, maar ook tamme kastanjes, moerbeibomen, hazelaars, kerselaars, platanen, olijfwilgen, berken, elzen, lijsterbessenbomen…

Die diversiteit was noodzakelijk om te voldoen aan de variëteitsprincipes die in die tijd vooropstonden bij de inrichting van landschapsparken. Hij vulde zijn ontwerpen aan met coniferen en bosjes hulst om het park ook in de winter enigszins groen te houden.

De voorbije dertig jaar werden veel verouderde bomen gekapt. Om ze te vervangen, kreeg de eik de voorkeur. Zo evolueerde het Terkamerenbos stukje bij beetje van een beukenbos naar een eikenbos met haagbeuken.

Meer dan 80 mooie en oude bomen van het Terkamerenbos werden opgenomen in de inventaris van opmerkelijke bomen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

In 2004 kreeg het bos de titel van speciale beschermingszone Natura 2000 omdat het een woonplaats biedt aan 16 vleermuissoorten. De inrichting van een oude kelder, speciaal voor deze diertjes, stimuleerde hun vestiging in en rond het terrein.

Het gebeurt ook wel eens dat de reeën van het Zoniënwoud een voorzichtig stapje in het bos wagen.

Fauna
staartmees
sijs
boomblauwtje
boomkruiper
houtduif
zwarte kraai
kauw
knobbelzwaan
grote bonte specht
middelste bonte specht
laatvlieger
roodborst
slechtvalk
boomvalk
sperwer
vink
keep
meerkoet
waterhoen
gaai
ijsvogel
nijlgans
zuidelijke boomsprinkhaan
grote gele kwikstaart
rosse vleermuis
gewone oeverlibel
wilde eend
pimpelmees
koolmees
glanskop
aalscholver
krakeend
tjiftjaf
fitis
ekster
groene specht
ruige dwergvleermuis
gewone dwergvleermuis
fuut
heggenmus
halsbandparkiet
vuurgoudhaan
goudhaan
iepenpage, iepepage
boomklever
turkse tortel
bosuil
spreeuw
zwartkop
bergeend
sleedoornpage
winterkoning
koperwiek
merel
zanglijster
atalanta
blauwe reiger
kuifeend
canadese gans
buizerd
Flora
fluitenkruid
bosanemoon
bijvoet
eenstijlige meidoorn
zwarte els
reuzenberenklauw
eenbloemig parelgras
pinksterbloem
peen
zoete kers
amerikaanse vogelkers
haagbeuk
groot heksenkruid
akkerdistel
wilde lijsterbes
spaanse aak
duizendblad
noorse esdoorn
gewone esdoorn
koninginnenkruid
framboos
es
wilde kardinaalsmuts
gevlekte aronskelk
beuk
gewone berenklauw
hulst
taxus
wilde narcis
hopklaver
grote veldbies
wolfspoot
hazelaar
gladde iep
madeliefje
zevenblad
slanke sleutelbloem
sleedoorn
scherpe boterbloem
kruipende boterbloem
daslook
japanse duizendknoop
heelkruid
boswilg
gewone salomonszegel
klein kruiskruid
look-zonder-look
tijmereprijs
grote vossenstaart